Book for the Unstable Media
4 x 4
Tijd voor Solidariteit

Wouter Hillaert in Rekto:verso, Sunday 1st June 2014, Belgium.


Als de verkiezingsstrijd één inzicht bijbracht, dan wel dat het kunstenveld last heeft met zijn stem. Die wordt te weinig gehoord door de politiek, zo klonk het vaak. Hebben alle cultuurdebatten en publiekscampagnes voor kunst daar iets aan verholpen? Het probleem ligt twee keer dieper, leerde het laatste 4x4-debat van CAMPO en rekto:verso. De stem van de sector is lang niet altijd die van de individuele kunstenaar, én ze klinkt te vaak alleen voor eigen winkel.

Eerlijk, we stonden zelf een beetje paf na het debat van 8 april, het vierde in onze reeks gesprekken in de aanloop naar de verkiezingen, over een paar lastige knopen in het artistieke bedrijf zelf. ‘Wie vertegenwoordigt de kunstensector nog?’, zo luidde de richtvraag van dat laatste debat van ‘4x4 – kiezen is een kunst’. Binnen het halfuur waren schrijver Jeroen Olyslaegers, beeldend kunstenaar Danny Devos, Groen-politicus Bart Caron, middenveldboegbeeld Ann Demeulemeester en vakbondsmilitante Laurette Muylaert van ACOD-Cultuur het roerend eens: de sector spreekt al te versplinterd, verdedigt niet echt meer het lot van de kunstenaars zelf en moet werk maken van nieuwe maatschappelijke allianties. Veel om over na te denken, terwijl straks een nieuwe cultuurminister zich zal gaan opwarmen.

Wat is dat juist, vertegenwoordiging? Moderator Koen Brams splitst het thema uit over twee grote vragen: wiens belang de belangbehartigers uit de kunsten eigenlijk behartigen, en hoe de sector zich meer kan verbinden met andere spelers in het middenveld, zoals de vakbonden en het sociaal-cultureel werk. Kortom: hoe dragen de kunsten hun belang uit, en maken ze hun stem hoorbaar? ‘Die stem is zonder scherpte of harde kracht’, zo opent Bart Caron, ex-kabinetsmedewerker van cultuurministers Bert Anciaux en Paul Van Grembergen. ‘Er bestaat binnen de kunsten geen eensgezindheid of solidariteit, er is een grote versnippering. Dat maakt het aan de beleidskant handig en makkelijk. Je tegenstrevers zijn te zwak, hopeloos intern verdeeld, en dat weet je. Vandaag kan iemand voor je zitten namens een belangenbehartiger zoals oKo, terwijl die gisteren nog naar je gebeld heeft voor zijn eigen theatergezelschap. Gezamenlijke belangenbehartiging en de informele politieke lobby lopen in de kunsten heel erg door elkaar. Dat verzwakt de sector, en werkt ook het beeld van “subsidieslurpers” mee in de hand bij de buitenwereld. Bij het sociaal-cultureel werk zie je veel meer gedeelde slagkracht. Geen enkele cultuurminister zal iets beslissen wat de sociaal-culturele sector niet zint. De kunstensector daarentegen is veel te vriendelijk voor het bestuur.’

Brams: Deel jij als kunstenaar die indruk van versplintering, Danny Devos?

Zo’n decreet is een vod papier waar niemand rekening mee houdt. Wat wij nodig hebben, is een kunste-naarsreglement. (Danny Devos)

Devos: ‘Voor een deel. Twee keer heb ik met de overheid “onderhandelingen gevoerd”. De eerste keer was met de federale overheid over het kunstenaarsstatuut, voor het NICC in het kunstenaarsplatform. Toen spraken alle kunstenaars wel uit één mond. En het resultaat was de wet die zegt “dat iedereen die in opdracht en tegen betaling een artistieke prestatie levert, een werknemer is, tenzij hij zelf kiest om een zelfstandige te zijn”. Die wet staat nog steeds als een rots, dus dat was een heel mooi resultaat. De andere keer was de aanloop naar het Kunstendecreet. Met het NICC hebben wij toen gepleit voor een professionalisering in de sector. En die is er ook gekomen, maar de kunstenaars zelf zijn in de prullenmand beland. Aan een decreet hebben wij niks. Dat was beter een reglement geweest, zoals het verkeersreglement: als je door een rood licht rijdt, krijg je straf. Het Kunstendecreet zegt dan wel dat organisaties kunstenaars moeten vergoeden voor een artistieke prestatie, maar doe je dat niet, dan gebeurt er niks. Zo’n decreet is een vod papier waar niemand rekening mee houdt. Wat wij nodig hebben, is een kunstenaarsreglement, waarmee een organisatie die door het rood rijdt, beboet kan worden.’

Brams: Waarom is die tweede onderhandeling rond het Kunstendecreet minder goed uitgedraaid voor individuele kunstenaars?

Devos: ‘Organisaties – het woord zegt het zelf – zijn nu eenmaal beter georganiseerd dan kunstenaars. Ze hebben meer middelen en meer specialisten in de materie. En als zij vanuit hun machtssituatie hun voeten kunnen vegen aan de afspraken, dan hebben kunstenaars daar weinig tegenin te brengen. Bij een overtreding tegen het kunstenaarsstatuut kan je gewoon naar de arbeidsinspectie gaan. Als er onder het Kunstendecreet een organisatie is die je niet uitbetaalt zoals beloofd, “omdat het budget op is”, waar kunnen wij dan naartoe?’

Brams: Dus het geschetste beeld van een hopeloos verdeelde sector is terecht?

Olyslaegers: ‘Dat beeld klopt. Een symptoom is dat niemand zo gek is op symbolische acties als de culturele sector. Dat zegt genoeg. Een symbolische actie is meestal maar om mee te lachen, leuk voor wie zelf betrokken is. Kijk naar wat er een paar jaar geleden in Nederland is gebeurd, met die rigoureuze bezuinigingen. Ramsey Nasr heeft toen een ongelooflijke speech gegeven, iedereen kreeg er tranen van in de ogen. Maar daarna is er niets gebeurd. De kunstensector houdt vooral van wat ik een ‘retorisch lustprincipe’ zou noemen. Ik zie heel veel statements die oplossen in de waan van de dag, maar veel minder solidariteit. Als we na de verkiezingen een ander regime krijgen, dat gelooft in eenzelfde soort Kulturkampf als in Nederland, dan zijn we allang geen loslopend wild meer, maar een kalkoen die direct in de oven kan. Zo erg is het. Dat zo veel mensen in de cultuursector enkel opkomen voor hun eigen huis, is een open uitnodiging om de hele sector aan te pakken. In het publieke debat wordt wel voortdurend gezegd dat er solidariteit is, maar dat is een leugen.’

Brams: Wat zijn mogelijke oorzaken en verklaringen van zo’n versnipperd veld?

Demeulemeester: ‘Een groot deel van de verklaring ligt in hoe het beleid nu functioneert: als een verregaande technocratie. Verzuiling is vervangen door verkokering, met een overheid die de perfecte verdeel-en-heerspolitiek toepast en ook perfect getraind is in de omgang met lobbyen. Men noemt dat “stakeholdermanagement”, geleerd via de OESO. Onderschat dat apparaat en zijn mechanismen niet! In het middenveld hebben we ons daar intussen tegen gewapend, onder meer door grote allianties te sluiten. Ook het onderwijs slaagt daarin. Maar in een sector als cultuur, die maatschappelijke vraagstukken niet beschouwt als zijn eerste zorg, wordt het beleid overgelaten aan de “tussenlopers”: de steunpunten, de zakelijke leiders en ook die 360 koepels. Ik vrees dat de cultuursector gewoon nog geen antwoord gevonden heeft op die moderne manier van beleid voeren, en daarom zo tegen zichzelf uitgespeeld wordt. Dat vraagt een veel steviger organisatie tussen de verschillende groepen in de sector.’

Brams: Hoe kwam de Verenigde Verenigingen tot stand, als platform van het sociaal-cultureel werk? Kan de kunstensector daar iets van opsteken?

Demeulemeester: ‘We zijn echt ontstaan in de periode van het primaat van de politiek, als een uitvloeisel van de burgerdemocratie. Wij werden toen allemaal zo tegen elkaar opgezet dat we wel rond de tafel moesten gaan zitten: de milieubeweging, de vakbonden, de amateurkunsten, al wat er in Vlaanderen bestaat. We wilden meer bruggen maken tussen de grote klassieke organisaties met veel kennis en contacten, en alle grassroots-initiatieven die toen aan het opkomen waren en ondersteuning zochten. Ook het middenveld moest zich heruitvinden.’

Brams: De amateurkunsten en het sociaal-cultureel werk zijn dus wel vertegenwoordigd in de Verenigde Verenigingen, maar de kunsten niet?

'Ook binnen de vakbonden is er een scheiding tussen het sociaal-cultureel werk en de kunsten.' (Laurette Muylaert)

Muylaert: ‘Dat zijn twee heel verschillende werelden. Vanuit het ACOD probeer ik al heel lang om de sociaal-culturele sector en de kunstensector bij elkaar te zetten, omdat de social profit over een veel beter Vlaams Intersectoraal Akkoord (VIA) beschikt. Maar je krijgt dat niet bij elkaar. Ook binnen de vakbonden is er een scheiding tussen het sociaal-cultureel werk en de kunsten. Vooral LBC, de grote bediendenvakbond van de christelijke zuil, heeft het niet zo voor de kunsten. Dat is heel spijtig, want uiteindelijk zijn vele kunstenaars ook werkzaam in het sociaal-cultureel werk, terwijl ze daar soms echt worden uitgebuit.’

Brams: Wat zijn mogelijke oplossingen voor alle problemen die hier zijn opgesomd?

Caron: ‘Om met dat laatste probleem te beginnen: eerst moeten de vakbonden hun interne winkel aanpakken. Ook zij zijn hopeloos verdeeld. Ze benaderen kunstenaars ook niet uniform. Wie in een orkest speelt, zit bij een andere centrale dan iemand die in een theatergezelschap speelt, met verschillende paritaire comités en cao’s. Zo heeft de cao voor de podiumkunsten wellicht de laagste loonschalen die er in dit land bestaan. Een tweede probleem is de belangenbehartiging. Dat die versnipperd is, heeft natuurlijk alles te maken met de historisch gegroeide verkokering tussen beeldende kunst, podiumkunsten, sociaal-cultureel werk. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom in het najaar van 2013 de laatste structurele ronde voor de musea zonder veel boe of bah is gepasseerd, ook al kregen meer musea samen geen enkele euro meer. Nul euro! Om voor je rechten op te komen, moet je jezelf natuurlijk wel krachtig organiseren. Ik denk dat we moeten evolueren naar belangenbehartigers die een voldoende breed veld dekken. Een grotere schaal is een noodzaak. Ook de individuele kunstenaars zullen daar baat bij hebben, Danny. Je mag de problematiek van individuele kunstenaars niet isoleren van die van grote organisaties. Individuele kunstenaars moeten natuurlijk terdege betaald worden, maar veel ligt ook aan de taart die organisaties krijgen. Wanneer worden kunstenaars die een opdracht krijgen, zoals een theatertekst schrijven, goed gefinancierd? Als daar de ruimte voor is. En als je taart verkleint …’

Brams: Als de taart verkleint, betalen de individuele kunstenaars de rekening? Is dat logisch?

Caron: ‘Nee, dat is niet logisch. Maar je als 300 000 euro nodig hebt voor een project, en je krijgt maar 200 000 euro, wat doe je dan? Het klopt dat er dan vaak op de variabele uitgaven wordt bespaard, en dat die in eerste instantie kunstenaars treffen. Maar dat is een problematiek van de hele taart, en niet van kwaadwillige organisaties. Vele structuren hebben de jongste jaren ook vaste medewerkers moeten ontslaan. Je kan niet eeuwig diminishen. Ik geloof dus niet, beste Danny, dat hier artistieke of zakelijke leiders in de zaal zitten die niet met lede ogen aanzien dat ze hun vergoedingen voor kunstenaars onder druk moeten zetten.’

Devos: ‘Nee, maar ik denk ook niet dat hier artistieke en zakelijke leiders zitten die, zoals ik, een andere fulltimejob van veertig uur hebben, om na hun uren zakelijk of artistiek leider te spelen. Voor 90% van de kunstenaars is dat wel het geval. Ik geef één voorbeeld: het M HKA, mijn geliefkoosde vijand. Het M HKA kreeg in 2013 bijna 6 miljoen euro subsidie. Daarvan ging 59,9% naar loonkosten, een kleine 3,6 miljoen. In het M HKA werken 71 mensen, of 59 VTE (voltijdse eenheden) die leven van het M HKA, met een vast contract. En weet je hoeveel er in 2013 is uitgegeven aan honoraria en loon aan kunstenaars? 54 352 euro. Dat is minder dan wat elk van die 59 voltijdse krachten verdient in een heel jaar. Dat is dus het businessplan: minder dan één zestigste deel gaat naar die persoon die moet zorgen voor wat eigenlijk de corebusiness van de organisatie is. En er zijn 59 andere delen waarvan wij moeten geloven dat die ons met de best mogelijke zorgen omringen. Waaruit bestaan die zorgen dan, vraag ik mij af …?’

Caron: ‘Dat is één museumsituatie. Er zijn ook beeldende kunstenhuizen die 70 à 80% van hun budget voorzien voor kunstopdrachten. En het overgrote deel van de kunstenorganisaties besteedt wel meer dan 50% aan kunstenaars. Bovendien kunnen musici en theatermakers ook niet werken zonder de omkadering van een organisatie. Ik ben het met je eens dat er meer geld moet gaan naar kunstenaars, maar de vraag is: ten koste van wat?’

Devos: ‘Ik heb niet gezegd dat er geen omkadering moet zijn. Ik heb alleen gezegd dat een omkadering van 1 tegenover 59 een beetje een verwrongen situatie is, wat mij betreft.’

Brams: Wat kan de kunstwereld aan die financiële scheeftrekking doen?

'Vele instellingen schurken inderdaad veel te dicht tegen die overheid aan. Die dynamiek kan volgens mij veel gezonder, én stouter.' (Jeroen Olyslaegers)

Olyslaegers: ‘Blijkbaar moeten we het niet hebben over een kunstlandschap, maar eerder over een “overhead-city”. Er is verschrikkelijk veel overhead. Zelf was ik ooit uitgenodigd op een auteursfeest van mijn vorige uitgeverij, in een zaal voor 500 man. Je kreeg een Hawaïaanse bloemenkrans om, en er was een fucking mariachi-band van veertig personen. Ik heb de auteurs geteld: we waren met vier! Je hebt natuurlijk ook mensen nodig rond de kunstenaar, maar wat Danny aanhaalt, vind ik wel heel concreet: 1 tegenover 59, dat is heftig. Alleen zie ik daar bij die instellingen waar ik wel eens binnenloop, heel weinig bewustzijn rond. Ik zie nog altijd vooral: “We hebben deze begrotingsronde overleefd; let’s get on with business.” En dan wel maatschappelijk verantwoord theater maken, en daar interviews over geven. Op zich is dat verschil tussen theorie en praktijk dolkomisch, maar als wij als kunstenaars ons vak en onze positie ernstig nemen, dan moeten we stoppen met die instellingen altijd te sparen, en zeggen: “Sorry, beste instellingen, jullie enige reden van bestaan is nu dat jullie een instelling zijn, en dat heeft nog heel weinig met kunst te maken, laat staan met de kunstenaar.” Waarom sparen we elkaar zo? We willen bij de overheid de perceptie wekken dat in het kunstenlandschap alles oké is. Dat we één front zijn. Dat zijn we niet. Nooit geweest ook. Maar toch hangt er een mentaliteit van “don’t rock the boat”: laat ons deze discussie niet voeren. Dan zit je in de kalkoenfase, klaar om in de oven te worden gestopt. Vele instellingen schurken inderdaad veel te dicht tegen die overheid aan. Die dynamiek kan volgens mij veel gezonder, én stouter.’

Brams: De geschiedenis van het NICC leert wel dat het verzamelen van kunstenaars geen sinecure is.

Devos: ‘Nee, dat klopt, maar dat ligt aan het verschil tussen kunstenaars en diegenen die zich in de omgeving van belangenverenigingen bewegen: zakelijke leiders. Dat is een beroep, zakelijk leider zijn. Het zal wel lachwekkend klinken, maar de meeste kunstenaars hebben een hekel aan administratie, zijn ook niet goed in sociale en fiscale verplichtingen. Niet iedereen heeft het ervoor over om zoals ik teksten over sociale zekerheid en juridische kwesties uit te pluizen. Hetzelfde geldt voor deelnemen aan beleidsdebatten of vergaderingen. Laurette kan dat tijdens haar arbeidsuren doen, en krijgt wellicht ook haar treinkosten terugbetaald. Ik betaal die allemaal uit eigen zak, en moet voor zo’n vergadering een dag verlof nemen. Want ik kan niet leven van mijn kunst; dus heb ik een fulltime job als arbeider. In organisaties worden mensen betaald om te vergaderen en dat Kunstendecreet na te lezen. Kunstenaars moeten dat allemaal ’s avonds doen, na hun werk. Bij het NICC waren we met 200 leden. Op de vergaderingen van de sociale commissie was er maximaal dertig man. Dat is nu eenmaal een realiteit.’

Brams: Hoe organiseren we een algemenere solidariteit binnen de sector van de kunsten? Wat zijn waardevolle strategieën?

Demeulemeester: ‘Er is nood aan kunstenaars-platformen, dat is duidelijk. Veel begint met zelforganisatie, maar daarvoor heb je inderdaad altijd een paar zotten nodig die hard willen werken aan dat verschrikkelijke pionierswerk bij de start. Tegelijk komt het erop aan meer te doen dan alleen lobbyen. Zo’n platform kan alleen maar werken als er voor kunstenaars ook iets te winnen valt: uitwisseling, advies, informatie … Je moet sponsors en ondersteuners vinden, en voor de overheid een spreekbuis worden. Dit is wat er nu ontbreekt: de kunstenaars hebben geen erkende spreekbuis. De overheid kan praten met wie ze wil. Maar bovenal moet het dan over meer gaan dan “wij willen meer geld en minder regels”. Welke visie heb je op de kunst, op het beleid? Wat is de rol van cultuur in de samenleving? Wat is je stem in het debat over transitie, in het debat over armoede? Net dat maakt je voor de overheid een interessante gesprekspartner. Maar dat hoor ik veel te weinig.’

Caron: ‘Dat geldt net zo goed voor de bestaande platforms van kunstenorganisaties. Zo’n maatschappelijke stellingname zou een heel sterk tegengif zijn tegen het verwijt dat het hun altijd alleen om de centen gaat. Maatschappelijke verankering is een absolute noodzaak.’

Demeulemeester: ‘Er zal zich inderdaad niemand voor jou interesseren als je alleen maar komt vragen om geld voor je eigen winkel. Iederéén wil meer geld. Wat ons moet samenbrengen, zijn ideeën. En dan volstaat het niet om een schitterende symbolische actie op touw te zetten, en daarna alles weer als een pudding in elkaar te zien zakken. Dus zeg ik: “Campo, je organiseert nu deze debatten, maar ga volgende week ook dat kunstenaarsplatform organiseren. Zorg dat mensen bijeenkomen: dát is het werk. Het gaat niet om eendagsvliegen, symbolische acties of platte lobby’s. Wel om duurzame verbanden.’

Brams: Wat is de plek van de vakbonden in dat soort duurzame verbanden? Vandaag horen we van de vakbonden zelden een inhoudelijk verhaal over de kunsten.

Muylaert: ‘Als je onze congresteksten van de jongste dertig jaar leest, dan steekt daar wel degelijk een ideologisch verhaal in. Wij beperken ons niet tot de strijd voor een respectvol loon, maar vinden ook dat de cultuur in de maatschappij een enorme emancipatorische functie heeft.’

Demeulemeester: ‘Zo is er recent een groot transitienetwerk gestart, met daarin de vakbonden, de cultuur, het middenveld, het onderwijs en een aantal progressieve bedrijven. We hadden vorig jaar het Transitiefestival: dat gaf een enorme dynamiek.’

Muylaert: ‘Alleen blijven we met onze culturele sectie, ACOD Cultuur, natuurlijk maar een kleine drukkingsgroep in een enorm grote organisatie. In paritaire comités ben ik de enige die continu de aandacht moet opeisen voor kunstenaars. Een van onze zwakke punten is ook communicatie naar de pers en de sector zelf, die tegelijk heel verscheiden is. Je moet eerst een platform hebben, zodat je weet met welke gezamenlijke standpunten je naar buiten wil komen. Dat vind ik heel belangrijk, dus laten we er gewoon aan beginnen.’

Brams: Bart Caron, jij publiceerde samen met Robrecht Vanderbeeken en Thomas Decreus een pleidooi voor een nieuw Cultuurplatform. Waarom?

Caron: ‘Het idee van zo’n breder platform is: toon nu eens echt dat kunst een maatschappelijke factor is die ertoe doet, en een bron van maatschappelijke verandering kan zijn. Een waardegeladen publiekscampagne als ‘Ik kies voor kunst’ is daartoe een eerste stapje, maar het moet veel krachtiger, op grotere schaal. De macht van het getal is cruciaal. Als je niet samen een vuist kan maken, zal men je ook niet ernstig nemen. Dit is geen pleidooi voor een grote fusie van van alles en nog wat, maar wel voor een gezamenlijke analyse van een aantal maatschappelijke tendensen, om daar samen een standpunt over in te nemen. Neem de onderhandelingen voor het vrijhandelsakkoord tussen Europa en de VS. Dat lijkt heel ver van ons af te staan, maar als het geen uitzondering creëert voor gesubsidieerde kunst, dan kunnen we het wel schudden. En wat is onze houding tegenover Creative Europe, het cultuurplan van de EU? Dat gaat allemaal aan ons voorbij, maar heeft een immense impact op onze toekomst. En daar kan je alleen maar op wegen als je samen een vuist maakt. Zo droom ik finaal van een internationaal platform. Onze problemen zijn niet fundamenteel anders dan in Groot-Brittannië, Duitsland of Frankrijk. Ga dus, zoals de vakbonden, met elkaar praten in Europees verband, om ook daar een vuist te maken. En dat zal nodig zijn, tegen de “divide et impera”.’

'Als je niet samen een vuist kan maken, zal men je ook niet ernstig nemen. Het moet veel krachtiger, op grotere schaal.' (Bart Caron)

Devos: ‘Oké, maar is dat onze verantwoordelijkheid? De vakbond zou zoiets moeten oplossen. Of kunstenorganisaties moeten gewoon de wet naleven. Zelf heb ik geen zin om weer van nul af aan een platform op te richten. Als het aan mij ligt … Mijn artistieke roots liggen in de avant-garde van de jaren 1970, en mijn sociale roots bij de Black Panthers en de Baader-Meinhofgroep. “Ofwel ben je deel van het probleem, ofwel ben je deel van de oplossing”, zei Eldridge Cleaver ooit. “En als je geen deel bent van de oplossing, dan ben je deel van het probleem.”’

Brams: Eén platform voor kunstenaars en organisaties is dus geen piste?

Demeulemeester: ‘Danny heeft natuurlijk een punt dat je makkelijk gedemotiveerd raakt, en dat geldt net zo goed voor de vakbond en voor heel veel sociale issues: in feite gaan we erop achteruit. Heel veel mensen die heel hard gevochten hebben voor bepaalde verwezenlijkingen, zien nu van alles door de vingers glippen en afgebouwd worden. Afgesproken regels worden voortdurend omzeild. Er zijn hele categorieën werknemers – om maar te zwijgen over de migranten, de asielzoekers en de illegalen – die nog in veel ergere straatjes zitten. We moeten de strijd steeds opnieuw beginnen, en ook steeds weer nieuwe mensen vinden die ervoor gaan.’

Brams: Hoe sta jij tegenover het idee van een nieuw platform, Jeroen?

Olyslaegers: ‘Het is me nog te abstract, al te theoretisch. We kunnen zoveel overlegstructuren opzetten als we willen, maar als er geen echte bewustzijnsverandering komt …  Zelf ben ik die “geefpleinen” begonnen als burger, met een heleboel vrienden en vriendinnen. Waarom? Omdat er in dit land zelfs gewoon geen basissolidariteit meer is. Als het over solidariteit gaat, dan kijken we eens naar de vakbond, of we storten wat voor een ngo. Maar básissolidariteit? Ik heb als puber de crisis van de jaren 1980 meegemaakt, en toen gezien wat er met die solidariteit gebeurd is: die is stilletjes afgebroken en nooit meer teruggekomen. Je moet het niet aan de overheid overlaten, en misschien zelfs niet aan de middenveldorganisaties. Wij moeten het zelf doen, anders gebeurt er helemaal niets. Al sinds die crisisjaren 1970-1980 laten we politieke partijen het hele democratische proces in hun klauwen houden. Partijpolitiek heeft het politieke totaal verengd: het perfecte recept voor een dictatuur. We zijn er klaar voor! Hebben wij gestemd over de Europese grondwet? Nee, dat mochten we zelfs niet. En dat we godverdomme nog altijd niet weten wat er in dat vrijhandelsverdrag tussen de VS en Europa staat, dat alleen al zou een revolutie moeten ontketenen! Maar wat we doen, is onze fucking zombiestaat koesteren. Die politieke onverschilligheid is vreselijk gevaarlijk. We worden allemaal bohemiens, naar de ideeën van de klassieke romantische avant-garde: overgeleverd aan de onzekerheid. Er is geen pensioen, we leven van dag tot dag … We zitten allemaal in dezelfde schuit. Het gaat dus niet meer alleen over opkomen voor onze rechten, maar over hoe we opnieuw vorm moeten geven aan basissolidariteit. Ik denk dat kunstenaars daarbij kunnen helpen – of niet, het maakt niet zoveel uit. Eigenlijk gaat het gewoon om mensen met goede wil.’

Caron: ‘Dat is bijzonder fundamenteel, ja. Een pleidooi houden voor kunst en kunstenaars in een samenleving die verrechtst, waar de kloof tussen rijk en arm vergroot, waar solidariteit met zwakke groepen in de samenleving ongelooflijk erodeert … Dat is gewoon vervreemdend. We zijn mee kind en slachtoffer van een brede samenlevingsontwikkeling die uitsluiting in de hand werkt. En dus moet er ook gepleit worden voor een brede samenlevingsbeweging. Eigenlijk maakt het verhaal voor een kunstenplatform of een kunstenaarsplatform gewoon deel uit van een hernieuwde dialoog over solidariteit in de samenleving. Maar ook subsidies zijn een doorgedreven vorm van herverdeling. We geven subsidies, omdat we geloven dat kunsten en kunstenaars belangrijk zijn in de samenleving. Daarvoor herverdelen we belastinggeld.’

Olyslaegers: ‘Wellicht is één op de drie jobs in dit land gesubsidieerd. Zijn landbouwers dan geen subsidieslurpers? Dit is Europa. Dit is het Europese systeem. Dat is een subsidiesysteem. En dat is pijnlijk, want dat loopt ten einde. We belanden in een nieuw paradigma, waarvan we zelfs de parameters niet kennen.’

'Als je de grote beweeglijkheid van kunstenaars kan verbinden met kennis en activisme, dan krijg je een combinatie die echt werkt.' (Ann Demeulemeester)

Caron: ‘Het gaat dus over fundamentele keuzes tussen een doorgedreven marktmodel, of een model waarbij we niet alleen rijkdom, maar ook subsidies herverdelen, of die nu naar landbouwers of naar kunstenaars gaan. De keuze gaat over het principe zelf: we verdelen een aantal waarden in de samenleving. Dat is het hele pijnlijke punt waar we voor staan. We komen uit een model van veertig jaar groei en nu gaan we wellicht voor de eerste keer naar een daling. Of we dat kunnen tegenhouden? Dat kan alleen maar in een maatschappijvisie die kiest voor herverdeling. Subsidies voor cultuur en kunsten zijn misschien op zich waardevrij, maar zitten niet in een waardevrij maatschappelijk denken.’

Brams: Afsluitend onthoud ik de uitspraak: ‘Campo, maak dit duurzaam!’ Hoe precies?

Demeulemeester: ‘Ik zou starten met een paar mensen, het best uit verschillende hoeken, die zich hier verenigen rond iets heel concreets: een eis, een actiepunt. Probeer ervoor te zorgen dat die mensen daar zelf ook iets aan hebben, dat er een resultaat uit komt. Zoek daar de juiste strategische partners voor en probeer ook meteen de overheid te bewerken. En, heel belangrijk: breng kennis in. De sterkste coalities die ik de laatste jaren heb meegemaakt, werkten samen met academici, mensen uit de hogescholen, mensen die zich ergens in hebben vastgebeten. Ook de vakbonden hebben altijd enorm geïnvesteerd in studiediensten. Het mag echt niet blijven hangen in de analyse dat het allemaal kommer en kwel is. Er kampen wel heel veel mensen met een situatie van machteloosheid, maar zij zitten echt te wachten op de inbreng, de kracht, de verbeelding van kunstenaars. Kunstenaars hebben hun eigen ruimte waarin ze wel kunnen handelen. Als je die grote beweeglijkheid van kunstenaars kan verbinden met kennis en activisme, dan krijg je een combinatie die echt werkt.’

Olyslaegers: ‘Kunstenaars zijn natuurlijk wel geen vitamine B-kuur, hé. Ik begrijp wat je zegt, maar eigenlijk moeten een heleboel mensen, en niet enkel kunstenaars, gewoon opnieuw het warm water uitvinden: die basissolidariteit duidelijk maken, mensen betrekken in het geloof dat je ook kan geven, en niet altijd hoeft te nemen. Het heeft maar één vlammetje nodig, en mensen zijn optimistisch. Dat geloof ik echt.’


More info on the Web


510